België, eldorado voor zoogdieren
PLANEET BELGIË
Deel 5: Aan de rand van gletsjers, de mens
Zoogdieren leefden in de schaduw van de dino’s tot een asteroïde 66 miljoen jaar geleden de grote veelvraten deed uitsterven. Het gaf zuinige, zogende diertjes met een vacht, multifunctioneel gebit en uitstekend gehoor nieuwe kansen. Die grepen ze met beide handen (en opponeerbare duimen). In ons land vinden we cruciale sporen van hun veroveringstocht: fossielen van de eerste primaten (van ons!), van de vroegste voorouder van je kat en hond, van walvissen die hier miljoenen jaren geleden kwamen kalven, en van de allerlaatste neanderthalers en de eerste sapiensen die onze streken bevolkten. Die jager-verzamelaars voelden zich thuis aan onze kalkgrotten, in de mammoetsteppe en in het verdronken land van 'Doggerland'.
Reinout Verbeke
PLANEET BELGIË,
de odyssee van ons land
Onze lap grond in het hart van Europa heeft er een bewogen reis van zo’n vijfhonderd miljoen jaar op zitten. België longtemps-avant-la lettre begon dicht bij de zuidpool, passeerde langs de evenaar en meerde – voorlopig – aan in het noordelijk halfrond.
Een reis vol dramatische botsingen. Ze hebben van ons land een geologisch eldorado gemaakt. We trekken mee met geologen, paleontologen en burgerwetenschappers, die het landschap en het leven dat er ooit in rondzwom, –kroop of –vloog reconstrueren.
Maak je klaar voor de diepste reis door ons land, in vijf delen. Dit is de slotaflevering.
‘Hier is het’. We parkeren de wagen en wandelen een holle weg in, paleontoloog Thierry Smith en ik. We zijn in Dormaal, tussen Tienen en Sint-Truiden. Rechtsboven ons een veld waar net het graan is gedorst, links een boomgaard met bijna rijpe peren. Dit is Haspengouw, de fruitstreek. Behalve twee grote infoborden doet niets vermoeden dat hier in de voorbije 143 jaar paleontologische topvondsten zijn gedaan. Spectaculaire fossielen, absoluut, maar niet in grootte: minikaakbeentjes van hooguit een paar centimeter, en tandjes en botjes die je alleen onder een microscoop goed kunt zien. ‘Wie het kleine niet eert ... moet geen zoogdieren bestuderen’, gniffelt Thierry. Hij is een expert in hun evolutie en is net terug van een opgravingsmissie in Bighorn Basin in Wyoming, waar lagen van dezelfde periode, zo’n 56 miljoen jaar oud, dagzomen.
De vondsten daar, maar zeker ook hier in Dormaal, zijn sleutelstukken gebleken om ‘onze’ geschiedenis te begrijpen, fossielen van de eerste ‘moderne’ zoogdieren. ‘Modern’ wil zeggen dat er vandaag nog nazaten van zijn. ‘Archaïsche’ zoogdieren daarentegen zijn groepen die er al waren tijdens het dinotijdperk (in het drieluik Trias, Jura en Krijt), maar die evolutionair een doodlopende straat zijn ingetrippeld.
Op deze holle weg in Dormaal zijn fossielen de vroegste moderne zoogdieren gevonden, die paleontoloog Thierry Smith heeft bestudeerd. (Foto: Reinout Verbeke, Instituut voor Natuurwetenschappen)
Op deze holle weg in Dormaal zijn fossielen de vroegste moderne zoogdieren gevonden, die paleontoloog Thierry Smith heeft bestudeerd. (Foto: Reinout Verbeke, Instituut voor Natuurwetenschappen)
Die vroege zoogdieren bleven tussen de ‘verschrikkelijke reptielen’ noodgedwongen klein en bescheiden. Maar klein zijn heeft voordelen. Het bespaart energie en ze konden zich in zelfgegraven holen makkelijker verborgen houden voor wie hun vel wou. Holen zijn ook ideaal om in te ‘overwinteren’: om seizoenen met weinig beschikbaar voedsel uit te zitten.
Zoogdieren ontwikkelden tijdens het Trias (periode van ongeveer 250 tot 200 miljoen jaar geleden) een intern ‘kacheltje’ en werden warmbloedig. Die zelf opgewekte warmte hielden ze beter vast met een vacht. Warmbloedigheid of endothermie stelt je in staat om ook ’s nachts te leven, een niche waar koudbloedige reptielen en ook de toenmalige dinosauriërs veel minder profijt uithaalden. Because the night belongs to mammals ... Het leven in de schaduw was zo slecht nog niet.
Een zoogdier is een zoogdier vooral omdat het drie gehoorsbeentjes heeft
’s Nachts leven betekent dat het minder van belang werd om kleuren te zien en des te levensbelangrijker om goed te ruiken. Paleontologen leiden dat onder meer af uit de relatief grote reuklobben en veranderingen in de snuit van vroege zoogdierachtigen. Natuurlijke selectie bevorderde bij nachtdieren ook een beter gehoor, waarmee ze erg stille en hoogfrequente geluiden kunnen capteren. Daarvoor had een opmerkelijke interne ‘verhuizing’ plaatsgevonden. Twee botjes in het kaakgewricht verloren stukje bij beetje hun functie, werden kleiner, en migreerden naar achteren tot tegen een al aanwezig gehoorsbeentje, de stijgbeugel. Ze werden hamer en aambeeld in het middenoor en versterkten de trillingen.
Een zoogdier is een zoogdier omdat het een vacht en melkklieren heeft, maar die kun je bij fossielen bijna nooit vaststellen. Die drie gehoorsbeentjes verraden wél luid en duidelijk dat het een zoogdier is. Reptielen ondergingen die verandering in de kaak namelijk niet.
Bij die zoogdiervoorouders met extra gehoorsbeentjes ontstond een nieuw kaakgewricht: dat het tandbeen en het schubbeen verbond. Het tandbeen maakte nu de volledige onderkaak uit, en dat zorgde niet alleen voor een sterkere beet, maar ook voor preciezere bewegingen voor kauwen en malen. Deze anatomische herschikking in de kaak, die via allerlei overgangsvormen verliep, markeert grofweg de transitie van proto-zoogdieren, zoals de zogenoemde cynodonten, naar de eerste echte zoogdieren.
De evolutie van het kaakgewricht, van proto-zoogdieren zoals Dimetrodon tot moderne zoogdieren. Let op de botjes in donkergroen, paars en oranje: zij worden trommelvlies, hamer en aambeeld. De stijgbeugel is al aanwezig. (illustratie: Anthwal en Tucker, Wikimedia Commons)
De evolutie van het kaakgewricht, van proto-zoogdieren zoals Dimetrodon tot moderne zoogdieren. Let op de botjes in donkergroen, paars en oranje: zij worden trommelvlies, hamer en aambeeld. De stijgbeugel is al aanwezig. (illustratie: Anthwal en Tucker, Wikimedia Commons)
Belangrijke knobbels
Geologie bepaalt vaak de biologie. Het supercontinent Pangea brak tijdens het dinotijdperk op. De gigantische landmassa scheurde aan het einde van het Trias centraal open, tussen Noord-Amerika en West-Afrika. Daar vormde zich het prilste begin van de Atlantische Oceaan. Tijdens de Jura ontstond tussen het noordelijke Laurazië (Eurazië plus Noord-Amerika) en het zuidelijke Gondwana (de rest van de wereld) de Tethys-oceaan. Denk aan de Middellandse Zee, maar trek ze in gedachten door tot in Azië. In het Krijt dreven Afrika en Zuid-Amerika dan weer definitief uit elkaar, waardoor de Zuid-Atlantische Oceaan ontstond. Meer oceanen betekenen meer kust, minder droogte en minder woestijnachtige landmassa’s, zoals in het Perm en Trias. Daarvan profiteerden de bloemplanten of bedektzadigen. Zij begonnen de naaktzadige plantenwereld – denk aan ginkgo’s en coniferen – te overklassen tijdens het Krijt.
En dat was gefundenes fressen voor de multituberculaten, archaïsche zoogdieren, maar wel enorm succesvol. De groep kroop meer dan 130 miljoen jaar lang op onze planeet rond. Multi’s waren maalmachines en kampioenen in het verwerken van plantenmateriaal. En dat mede dankzij een groot aantal knobbeltjes (‘multi’ en ‘tubercula’) op de kiezen. Zo’n kies heeft de structuur van een legoblokje. De kiezen zijn bij zoogdieren een belangrijke tool in hun gebit, dat zo multifunctioneel is als een Zwitsers zakmes. Zo verteren zoogdieren voedsel sneller, en dat is nodig om de interne kachel brandend te houden.
De multituberculaat Kryptobaatar, een archaïsch zoogdier uit het krijttijdperk, met op de achtergrond het reuzenhert Megaloceros giganteus uit de laatste ijstijd. (Foto: Thierry Smith, Instituut voor Natuurwetenschappen)
De multituberculaat Kryptobaatar, een archaïsch zoogdier uit het krijttijdperk, met op de achtergrond het reuzenhert Megaloceros giganteus uit de laatste ijstijd. (Foto: Thierry Smith, Instituut voor Natuurwetenschappen)
Multituberculaten waren niet de enige succesvolle groep zoogdieren die tijdens het dinotijdperk ontstond. Je had ook al vroege versies van placentadieren (eutherians, onze groep) en van buideldieren (metatherians), samen de Theria. En dan had je ook nog de aparte groep van de monotremen, eierleggende dieren die ook nog zogen, zoals het huidige vogelbekdier.
In het gebit van die voorlopers van de moderne zoogdieren zijn de kiezen gesofisticeerder dan de legoblokjes van de multi’s. Ze vertonen minibergtoppen en -valleien. De toppen van de bovenste kies pasten in de dalen van de onderste. Die zogenoemde ‘tribosfene’ kiezen deden twee dingen in één beweging: verscheuren én malen. Zoals je een stamper in een vijzel duwt bij het maken van pesto. Daar hadden multituberculaten nog twee aparte tanden voor nodig: premolaren en kiezen.
Een kleine aanpassing in een kies maakt een wereld van verschil. Moderne zoogdieren zullen de hele booming insectenwereld beter de baas kunnen. Met de nieuwe scheurende én malende kiezen raakten deze zoogdieren makkelijker tot bij het voedzame deel van het insect.
De pieken en dalen op zulke kiezen zijn onderhevig aan kleine veranderingen, waardoor die groep zoogdieren zich makkelijker aan nieuwe voedselbronnen aanpaste als de omgeving wijzigde. Vleeseters, zoals je kat of hond, hebben scherpere pieken op hun kiezen, die als een schaar het vlees versnijden. Voel je aan je eigen kiezen, dan zijn de pieken minder uitgesproken en het kauwvlak breder, beter geschikt voor ons omnivore menu.
Toon me je gebit, en ik zeg je wat je eet... Met een lichtjes andere kies kun je een andere ecologische niche innemen. (Illustratie, speciaal voor dit artikel, door Melvin Vankelst, Instituut voor Natuurwetenschappen, fylogenetische boom door Yimeng Li et al., 2023 (DOI: 10.1038/s41559-023-01982-5); Noot: bij gebrek aan eerste molaar, of een goeie scan ervan, wordt de tweede afgebeeld, maar ze lijken doorgaans sterk op elkaar)
Toon me je gebit, en ik zeg je wat je eet... Met een lichtjes andere kies kun je een andere ecologische niche innemen. (Illustratie, speciaal voor dit artikel, door Melvin Vankelst, Instituut voor Natuurwetenschappen, fylogenetische boom door Yimeng Li et al., 2023 (DOI: 10.1038/s41559-023-01982-5); Noot: bij gebrek aan eerste molaar, of een goeie scan ervan, wordt de tweede afgebeeld, maar ze lijken doorgaans sterk op elkaar)
Oerhond en oerprimaat
Vele honderden soorten uit die vroege succesvolle zoogdiergroepen – multituberculaten, monotremen, buideldieren en placentadieren – zijn getuige geweest van de fatale dag 66 miljoen jaar geleden. Van de dino’s overleefden alleen enkele vogelsoorten. Maar, en dat is minder bekend, ook negen op de tien zoogdiersoorten haalden het niet. Het heeft dus geen haar gescheeld ... Alle zoogdieren na de ramp – ja, ook wij – danken hun bestaan aan een paar survivors die door het stof kropen. Ze waren wellicht vooral klein, omnivoor en/of holenbewoner.
Na 150 miljoen jaar in de schaduw van de reptielen, was het aan de bescheiden zoogdieren om te shinen. Zoogdieren namen veel niches in die de triceratopsen, hadrosauriërs en T. rexen zo lang bezet hadden gehouden, en ze werden groter. '400.000 jaar na de asteroïde-inslag, tijdens het paleoceen, waren er al 50 kilogram zware exemplaren ter grootte van een wolf, zoals de vleeseter Eoconodon', zegt Thierry Smith. 'Naar het einde van het paleoceen heb je grote plantenetende zoogdieren zoals de 500 kilogram zware Barylambda, het formaat van een pony. Die evolutie ging samen met die van planten. Door klimaatopwarming werden bloemplanten diverser, met ook palmbomen, notenbomen en peulvruchten, die vol energie zitten.'
Het waren vooral de placentadieren die groter werden. Hun manier van voortplanten heeft voordelen. Het embryo groeit - in tegenstelling tot de buideldieren of de monotremen - in het lichaam van de moeder, en groeit daar, beschermd en constant gevoed door de placenta, tot een al relatief groot jong. Nu, in die tien miljoen jaar na de apocalyps waren er ook reuzen geëvolueerd in andere groepen overlevers: Titanoboa is een slang van wel dertien (!) meter lang en een ton zwaar, en Gastornis een plantenetende loopvogel van twee meter hoog.
Zoogdieren werden na het uitsterven van de dino's misschien wel groter, maar nog niet meteen slimmer. Hun herseninhoud bleef verhoudingsgewijs klein. Hadden ze misschien geen groot brein nodig omdat ze vele ecologische niches voor zich alleen hadden? Met al die vrijgekomen plekken hadden ze duidelijk wel geïnvesteerd in beweging. Er ontwikkelden zich enkelgewrichten in allerlei vormen en maten, waarmee soorten beter konden rennen, graven en klimmen. Ze pasten zich aan allerlei omgevingen en voedsel aan.
56 miljoen jaar geleden. Groenland en Noord-Amerika drijven tijdens het Eoceen weg van Eurazië: de Noord-Atlantische oceaan ontstaat. En India ligt op ramkoers met Azië. (C.R Scotese en GPlates)
56 miljoen jaar geleden. Groenland en Noord-Amerika drijven tijdens het Eoceen weg van Eurazië: de Noord-Atlantische oceaan ontstaat. En India ligt op ramkoers met Azië. (C.R Scotese en GPlates)
De wereld was net na het uitsterven van de dino’s al warm, maar rond 56 miljoen jaar geleden kwam daar nog een abrupte klimaatopwarming bovenop. Oorzaak was het openen en groeien van de noordelijke Atlantische Oceaan. Het vulkanisme van de Mid-Atlantische Rug deed Noord-Amerika en Groenland afsplitsen van Eurazië, een proces dat trouwens nog altijd aan de gang is. Door de enorme hoeveelheden CO2 die 56 miljoen jaar geleden de atmosfeer in werden gepompt, steeg de temperatuur in een paar duizend jaar nog eens vijf tot acht graden Celsius: het was gemiddeld 34 graden over de hele wereld, en in het Noordpoolgebied groeiden palmbomen, jawel. Deze klimaatsverandering noemen paleontologen het PETM, het Paleoceen-Eoceen Thermaal Maximum.‘En die bloedhete wereld leidt dit keer niet zozeer tot een grote uitsterving,’ zegt Thierry Smith terwijl we de holle weg in Dormaal verder afstappen, ‘maar doet een hele rist ‘moderne’ placentadieren ontstaan: primaten, vleermuizen, carnivore zoogdieren, even- en onevenhoevigen, knaagdieren ... Zij profiteren van die opwarming, en verspreiden zich razendsnel over het noordelijk halfrond via beboste landbruggen die Eurazië met Noord-Amerika verbonden.’
Maar waar komt die dynamische nieuwe generatie plots vandaan? Wie is hun gemeenschappelijke voorouder? ‘Het is na 150 jaar onderzoek nog altijd een mysterie. Zelf denk ik dat we de wieg rond India moeten zoeken, toen de grote landmassa nog op weg was naar Azië, en de Himalaya nog niet had opgestuwd. We vinden in India dezelfde soorten als in West-Europa. Het zou wel eens kunnen dat moderne zoogdieren op het dobberende ‘eiland’ zijn ontstaan en via tijdelijke landbruggen naar Azië en Europa zijn gemigreerd.’
De opgravingen van burgerpaleontoloog Richard Smith in 1989-1990. (Foto: Richard Smith)
De opgravingen van burgerpaleontoloog Richard Smith in 1989-1990. (Foto: Richard Smith)
Richard Smith bij de tachtig centimeter dikke laag die de fauna van 56 miljoen jaar geleden bevat, samengespoeld in de bocht van een grote rivier en later gefossiliseerd. (Foto: Reinout Verbeke, Instituut voor Natuurwetenschappen)
Richard Smith bij de tachtig centimeter dikke laag die de fauna van 56 miljoen jaar geleden bevat, samengespoeld in de bocht van een grote rivier en later gefossiliseerd. (Foto: Reinout Verbeke, Instituut voor Natuurwetenschappen)
Dormaalocyon latouri, 'de hond van Dormaal'. De kleine, boombewonende voorouder van zowel alle katachtigen als hondachtigen. (Illustratie: Charlène Letenneur en Pascale Golinvaux)
Dormaalocyon latouri, 'de hond van Dormaal'. De kleine, boombewonende voorouder van zowel alle katachtigen als hondachtigen. (Illustratie: Charlène Letenneur en Pascale Golinvaux)
Een stukje kaak, scheenbeen en dijbeen van Teilhardina belgica, de oudst bekende primaat tot nu toe, gevonden in Dormaal en beschreven in 1927. (Foto: Reinout Verbeke, Instituut voor Natuurwetenschappen)
Een stukje kaak, scheenbeen en dijbeen van Teilhardina belgica, de oudst bekende primaat tot nu toe, gevonden in Dormaal en beschreven in 1927. (Foto: Reinout Verbeke, Instituut voor Natuurwetenschappen)
Waar de wieg ook staat, het is in geulen langs deze holle weg in Dormaal dat paleontologen die vroegste moderne zoogdieren vinden. In de negentiende en twintigste eeuw is een tachtig centimeter brede laag volledig uitgekamd door de zandige pakketten in een fijnmazige zeef te spoelen. Burgerpaleontoloog Richard Smith ‘natzeefde’ eind jaren 1980, begin jaren 1990 maar liefst 23 ton sediment. Het grofkorrelig materiaal was zo’n 56 miljoen jaar geleden van hogergelegen gebieden afgevloeid naar de nabije zee, en had zich ter hoogte van Dormaal in een bocht van een rivier opgehoopt. In zo’n bocht blijft ook afgestorven leven steken. Om te beginnen plantenresten: sporen, pollen en stukjes hout. Daardoor weten we dat de flanken van de rivier dichtbegroeid waren met planten uit de familie van de pijnboom, van de okkernoot en van de populier, en langs hun stammen slingerden druivelaars omhoog.
Wat verderop in de buurt van Hoegaarden waren er in die periode trouwens moerassen zoals je ze in het deltagebied van de Mississippi bij New Orleans vindt, met moerascipressen, die met hun wortels kniehoog in het water staan. In 1970, bij uitgravingen voor de aanleg van de E40 en ook in 2000 voor de hogesnelheidstrein, heeft men vele tientallen gefossiliseerde stukken boomstam ontdekt en uitgegraven. Enkele zijn 'in situ' te zien op de geosite Goudberg in Hoegaarden.
Fossiele stukken boomstam van subtropische moerascipressen in Hoegaarden. (Foto: Tom Gijpen)
Fossiele stukken boomstam van subtropische moerascipressen in Hoegaarden. (Foto: Tom Gijpen)
‘België was toen dus echt subtropisch: vochtig en warm’, zegt Thierry. ‘In de paleorivier van Dormaal zwommen krokodillen, alligators, reuzenschildpadden en vissen, vooral snoeken.’ Ook aan de rand van het water en in het woud gonsde en piepte het van het leven, met kikkers, salamanders, gecko’s en vogels. En de eerste vertegenwoordigers van al wat vandaag zoogdier is. Er zijn vooral tanden gevonden, 14.000 stuks. Tanden bestaan uit tandglazuur, dat veel beter fossiliseert dan de rest van het skelet. ‘Aan het aantal tanden, de onderlinge afstand, de vorm, ... kunnen we al snel afleiden of het een roofdier, aaseter, insectivoor, alleseter of grazer was, en het unieke patroon van richels en knobbels op de tanden vertelt welke soort het was, als een identiteitskaart.’ De zoogdieren van Dormaal behoren tot zo’n vijftig taxa, vooral kleine soorten zoals knaagdieren, buidelratten en kleine hoefdieren.
Thierry maakte als marien bioloog een carrièreswitch richting paleontologie toen hij de zoogdiervondsten van zijn vader begon te bestuderen. Hij had het vak en de passie al van jongs af meegekregen want Richard koos vakantiebestemmingen op basis van opgravingsplekken. ‘Als puber had ik daar op een bepaald moment wel genoeg van’, lacht Thierry. In 2014 beschreven vader en zoon in samenwerking met collega’s Dormaalocyon latouri. Letterlijk: ‘De hond van Dormaal’. ‘Het is een van de vroegste voorouders van de huidige vleesetende zoogdieren. Dus een oerroofdier nog lang vóór carnivoren zouden splitsen in de meer hondachtigen, zoals wolven, beren, marters en zeehonden, en de meer katachtigen, zoals katten, tijgers en leeuwen.
Hoe zag die oerversie van je blaffende Luna of spinnende Felix eruit? 'Een beetje als een marter. Het woog een halve tot één kilogram, en aan het flexibele enkelgewricht leidden Thierry en collega’s af dat Dormaalocyon in bomen leefde en zich via de kruinen verplaatste. Het had al lange hoektanden zoals de huidige katten en honden, en het was mogelijk omnivoor: insecten gingen er zeker en masse in, maar dit roofdier zette mogelijk ook zijn tanden in zoogdieren die nóg kleiner waren dan hijzelf.
Een van die prooien kan zijn tijd- en boomgenoot Teilhardina belgica zijn geweest. Teilhardina is een cruciale vondst, want het is onze verste primatenvoorouder. De Franse jezuïet én paleontoloog Pierre Teilhard de Chardin beschreef de oerprimaat op basis van enkele kaakbeentjes en losse tanden. ‘Na De Chardin zijn nog zo’n driehonderd fossielen van het primaatje opgegraven, ook delen van de ledematen, waardoor we nog een beter zicht kregen op hoe onze verste primatenvoorouder eruitzag’, zegt Thierry. ‘Hij leek nog het meest op de huidige spookdiertjes of muismaki’s: pluimgewicht, grote ogen, goeie grijphanden en -voeten, lange vingers, flexibele ellebogen, en een krachtige sprong.’
Primaten hebben ogen die naar voren gericht staan, met een grote overlap tussen beide gezichtsvelden, wat hen een uitstekend dieptezicht verschaft. En ja, de bekende opponeerbare duim en grote teen. Met aan de voor- en achterpoten nagels in plaats van klauwen. ‘Stuk voor stuk aanpassingen om beter in bomen te klimmen.’
Kaakbeentje van Teilhardina belgica. (Foto: Instituut voor Natuurwetenschappen)
Kaakbeentje van Teilhardina belgica. (Foto: Instituut voor Natuurwetenschappen)
Plesiadapis (links): ogen staan nog opzij, geen opponeerbare duim en grote teen, en klauwen. De primaat Notharctus (rechts): ogen naar voren gericht, opponeerbare duim en teen, en nagels. (Foto: Thierry Smith, Instituut voor Natuurwetenschappen)
Plesiadapis (links): ogen staan nog opzij, geen opponeerbare duim en grote teen, en klauwen. De primaat Notharctus (rechts): ogen naar voren gericht, opponeerbare duim en teen, en nagels. (Foto: Thierry Smith, Instituut voor Natuurwetenschappen)
Poten worden flippers
Behalve de carnivoren en de primaten heb je in de bomen op dat moment ook knaagdieren, met continu groeiende snijtanden, waar we vandaag nog de muizen, ratten, eekhoorns, bevers, hamsters, cavia’s en stekelvarkens van kennen. Zij zullen de ‘archaïsche’ multituberculaten mettertijd uit de markt concurreren.
Nog twee groepen zoogdieren die vlotjes doorheen het ‘hothouse’ van het PETM galoppeerden: even- en onevenhoevigen. Zij lopen niet op hun voetzolen maar op de toppen van de tenen, met nagels die we hoeven noemen. Gezwindheid werd hun troef.
Een van de beroemdste vindplaatsen voor moderne zoogdieren, met intact bewaarde skeletten, is Messel, in de buurt van Darmstadt in Duitsland. Een kratermeer verzamelde rond 47 miljoen jaar geleden geduldig de fauna en flora die in en rond het meer afstierven. Omdat er geen zuurstof was op de bodem bleven ze met huid en haar, maaginhoud en dracht bewaard. Het Instituut voor Natuurwetenschappen nam in de jaren 1980 deel aan de opgravingen en stelt prachtexemplaren tentoon waaronder een onevenhoevige ter grootte van een hond, Eurohippus messelensis, een voorloper van de huidige paarden. De middelste van oorspronkelijk drie tenen bij paardenvoorouders zal mettertijd groter worden en de zijtenen overbodig maken. Ze zullen van kleine bladeren etende dieren evolueren tot de langbenige grazers van vandaag.
48 miljoen jaar oud fossiel van een drachtige oerpaardmerrie uit de groeve van Messel. Vroege paardachtigen hadden nog meerdere tenen (hoefjes) in plaats van één enkele hoef. (Sven Tränkner, Senckenberg Forschungsinstitut Frankfurt, Wikimedia Commons)
48 miljoen jaar oud fossiel van een drachtige oerpaardmerrie uit de groeve van Messel. Vroege paardachtigen hadden nog meerdere tenen (hoefjes) in plaats van één enkele hoef. (Sven Tränkner, Senckenberg Forschungsinstitut Frankfurt, Wikimedia Commons)
Opgravingen in Messel in de jaren 1980. (Foto: Hugo De Potter)
Opgravingen in Messel in de jaren 1980. (Foto: Hugo De Potter)
En binnen de evenhoevigen zijn – raar maar waar – de walvissen en dolfijnen ontstaan. Het is een van de beste door fossielen gestaafde evolutionaire transformaties. Leden van een groep gehoefde zoogdieren ter grootte van een hond gingen vanaf zo’n vijftig miljoen jaar geleden geleidelijk dieper in kustwateren en rivieren leven. Hun voorpoten evolueerden tot flippers, de staart nam de voortstuwing over en de neusgaten verschoven naar de bovenkant van de kop. ‘Fossielen van overgangsvormen zoals Pakicetus, Ambulocetus en Basilosaurus tonen hoe een lopend zoogdier evolueerde tot een volledig in zee levende walvis’, zegt paleontoloog Olivier Lambert (Instituut voor Natuurwetenschappen). Olivier beschreef de voorbije vijftien jaar veel van die spectaculaire overgangssoorten, opgegraven in de Pisco-woestijn van Peru.
Paleontoloog Olivier Lambert geeft uitleg bij de vierpotige walvisvoorouder Peregocetus pacificus, die hij en collega's vonden en beschreven. (Video: Stéphane Van Israël, Instituut voor Natuurwetenschappen)
Meer dan 36 miljoen jaar geleden splitste de walvislijn zich in twee grote groepen: de baleinwalvissen (Mysticeti), die zich voeden door kleine prooidieren uit het water te filteren met keratine-achtige repen in de mond (baleinen), en de tandwalvissen (Odontoceti), predatoren waartoe onder meer dolfijnen en potvissen behoren en die vaak gebruikmaken van echolocatie. Een van Oliviers meest onwerkelijke vondsten uit Peru is Livyatan melvillei, een reusachtige roofwalvis die ongeveer tien miljoen jaar geleden leefde en nauw verwant was aan de moderne potvis. Het dier had 36 (!) cm lange tanden.
Binnen de evenhoevigen zijn – raar maar waar – de walvissen en dolfijnen ontstaan
Matras van zand en klei
Na het uitsterven van de dino’s veranderde de fauna dus drastisch, maar hoe evolueerde het landschap in België? In de miljoenen jaren vóór de asteroïde zetten algen (coccolithoforen) met een kalkskeletje massaal krijt af in de zee, die aan het einde van het krijttijdperk zowat ons hele land bedekte. Ze hebben dikke pakketten krijtgesteente opgeleverd, die grotendeels begraven zijn door recentere lagen. Maar in de krijt- en mergelgroeves van Ciply, Kanne en Maastricht, en aan de witte kliffen van Cap Blanc-Nez en Dover kun je ze zien. Die immense krijtzee maakte enkele miljoenen jaren na de asteroïde-apocalyps plaats voor een andere zee.
Daarin zwommen alvast geen mosasauriërs en ammonieten meer rond, en de kalkalgen werden minder alomtegenwoordig. Het zal (weer) een zee van zand en klei worden. Geen helderblauw water meer, maar de bruine, troebele zee die we vandaag kennen.
15 miljoen jaar geleden. De alpiene gebergtevorming is tijdens het Mioceen in volle gang: onder meer de Alpen, Karpaten en Apennijnen rijzen op, en de Tethys-oceaan tussen Eurazië en Afrika sluit zich. (C.R Scotese en GPlates)
15 miljoen jaar geleden. De alpiene gebergtevorming is tijdens het Mioceen in volle gang: onder meer de Alpen, Karpaten en Apennijnen rijzen op, en de Tethys-oceaan tussen Eurazië en Afrika sluit zich. (C.R Scotese en GPlates)
De proto-Noordzee zal ons meer dan zestig miljoen jaar vanuit het noorden overspoelen, in een eindeloos va-et-vient, ontelbare transgressies en regressies. Dat overdekken en terugtrekken van de zee is beïnvloed door het opstuwen of indalen van landmassa’s, klimaatopwarmingen en periodes met ijskappen op de polen. Tot waar de zee dan telkens komt, trekt ze rivieren naar zich toe. Die brengen het afbraakmateriaal van de hogergelegen gebieden mee, onder meer van het Massief van Brabant en van de Ardennen.
Zand zal zich in pakketten ophopen dicht bij de monding, in de ondiepe delen van de zee. De fijnere en lichtere kleideeltjes raken tot in de diepten. We vinden dan ook zand- en kleilagen terug in de bovenste honderden meters van onze ondergrond. Je zou dat onze matras kunnen noemen. In zuidelijk België bevat die matras veel meer nóg oudere lagen: denk aan de kalkpakketten van het Devoon en Carboon, afgezet toen we nog een tropische zee waren ter hoogte van de evenaar (zie afleveringen 2).
Op het einde van de laatste ijstijd, tussen 20.000 en 15.000 jaar geleden, kwam daar nog een dekentje van zand, zandleem en fijn leem (löss) bovenop, dat door de wind is aangevoerd. Gletsjers over het noorden van Europa hadden in hun bewegingen gesteente fijngemalen. Dat is dan later over ons gebied gewaaid. Het zwaardere zand belandde het minst ver, tot in het laaggelegen noorden van Vlaanderen (dit werd de Zandstreek en de Kempen), leem waaide wat verder (de Zandleemstreek) en het nog lichtere en erg vruchtbare löss geraakte over heuvels tot in de glooiende regio’s van Midden-België (Leemstreek). Zandleem en leem zijn ideaal voor akkerbouw – makkelijker te bewerken dan klei, vruchtbaarder dan zand. Denk aan de tarweteelt van Henegouwen, de historische ajuinteelt in Aalst, de suikerbieten van Tienen en de boomgaarden van Haspengouw.
Doggerland
Remember Teilhardina? Vanuit die maki-achtige primaatjes is een complexe stamboom gegroeid, van apen, maar ook mensapen en mensachtigen. Vanaf een goeie zeven miljoen jaar geleden duiken in Afrika heel wat mensachtigen op, die deels rechtop lopen, waaronder de bekende australopitheken, zoals Lucy en het Taung-kind. Rechtop zie je in de hoge grassen de roofdieren eerder. Die roofdieren waren katachtigen zoals sabeltandkatten en hyena’s, nazaten van de vroege ‘Belgische’ carnivoor Dormaalocyon.
De menselijke evolutie is een complexe ‘stamstruik’ met veel soorten die tijdgenoten waren, en naast en met elkaar hebben geleefd. Binnen de tak Homo ontstaat, mogelijk uit Homo erectus, een soort die Homo heidelbergensis wordt genoemd, al denken paleo-antropologen dat dit eerder een verzamelnaam is voor verschillende groepen. ‘Heidelbergensis’ verspreidde zich vanuit Afrika over Eurazië en oostelijk Azië. Uit de Euraziatische populatie evolueerden zo’n 450.000 jaar geleden neanderthalers en uit de Aziatische populatie de denisova-mensen. Uit de groep die in Afrika bleef, ontstond zo’n 300.000 jaar geleden Homo sapiens. Ook wij trekken out of Africa, vanaf zo’n 70.000 jaar geleden, en mixen met de mensensoorten die we op ons pad tegenkomen.
Neanderthalers en sapiensen zullen elkaar in Europa ontmoeten in de recentere fasen van het Kwartair. Tijdens het Kwartair of het ijstijdvak verspreidden de ijskappen zich niet alleen over Antarctica, maar nu ook over Noord-Europa. Het ijstijdvak is niet één ijskoude periode. Als je het Kwartair op een grafiek met de oppervlaktetemperatuur bekijkt, tel je 52 dalen, dat zijn de ijstijden, en evenveel pieken van warmere tussenijstijden. Vandaag zitten we in zo’n tussenijstijd, het Holoceen.
Tijdens een tussenijstijd zwommen er nijlpaarden in onze rivieren en liepen er bosolifanten rond, die we eerder met Afrika associëren. Tijdens ijstijden trok het water zich terug in de ijskappen en gletsjers – als waren het sponzen – en kwam de Noordzeebodem bloot te liggen. Dat gebied tussen Engeland en Noordwest-Europa noemen we Doggerland. Onze streken veranderden dan in een boomloze steppe met vooral kruiden. Er trokken kuddes in rond die aan het koude klimaat aangepast waren: wolharige mammoeten en wolharige neushoorns, paarden en hertachtigen, waaronder het befaamde reuzenhert met een gewei van wel vier meter spanwijdte.
1 miljoen jaar geleden. Tijdens de ijstijden van het Pleistoceen reiken ijskappen soms tot net ten noorden van ons land, en komt ‘Doggerland’ bloot te liggen waar nu de zuidelijke Noordzee is. (C.R. Scotese en GPlates)
1 miljoen jaar geleden. Tijdens de ijstijden van het Pleistoceen reiken ijskappen soms tot net ten noorden van ons land, en komt ‘Doggerland’ bloot te liggen waar nu de zuidelijke Noordzee is. (C.R. Scotese en GPlates)
De vijfde poster van Planeet België: artistieke impressie van Oostende 35.000 jaar geleden. In de Noordzeevlakte ligt Doggerland, met de Theems en de Rijn die in een gevlochten patroon naar het Kanaal vloeien. (Illustratie: Vinciane Decamps)
De vijfde poster van Planeet België: artistieke impressie van Oostende 35.000 jaar geleden. In de Noordzeevlakte ligt Doggerland, met de Theems en de Rijn die in een gevlochten patroon naar het Kanaal vloeien. (Illustratie: Vinciane Decamps)
Neanderthalers in ons
De fauna van de mammoetsteppe werd bejaagd door de mens. Neanderthalers zijn de vroegste mensensoort waarvan we duidelijke sporen hebben in onze streken. De Engels-Ierse geoloog William King beschreef Homo neanderthalensis in 1864 op basis van een skelet gevonden in het Neandertal bij Düsseldorf.
Maar de allereerste neanderthalervondst is Belgisch. In Engis bij Luik was in 1829 al een schedel van een neanderthalerkind gevonden. Jammer genoeg voor ons is hij pas een goeie eeuw later erkend als van een neanderthaler. Wereldprimeur gemist … Maar de Belgische grotten leverden nog topvondsten op. Een kaakbeen in de grot van La Naulette, opgegraven in 1866, en vooral twee gedeeltelijke skeletten in de grotten van Spy in 1886, hielpen de bevindingen van King en de evolutietheorie van Darwin te staven, en de twijfel weg te nemen over het bestaan van andere mensensoorten dan wijzelf. Voorts hebben we nog de kaak en tandresten van het achtjarige ‘kind van Sclayn’ uit de Scladina-grot, op een boogscheut van de grotten van Goyet.
De grotten van Goyet. (Foto: Reinout Verbeke, Instituut voor Natuurwetenschappen)
De grotten van Goyet. (Foto: Reinout Verbeke, Instituut voor Natuurwetenschappen)
Die laatstgenoemde grotten werden in de jaren 1860 volledig uitgegraven door het team van geoloog Édouard Dupont. Duponts vondsten worden bewaard in het Instituut voor Natuurwetenschappen. In een van de ontelbare lades lag een schedel die na analyse in 2009 van de allereerste hond bleek. 36.000 jaar geleden had de moderne mens al een wolf tam gemaakt, een eerste domesticatie-experiment. De ‘hond van Goyet’ heeft wel niet tot de huidige honden geleid.
De hond van Goyet, de vroegste hond ter wereld, en het allereerste spoor van domesticatie tout court. (Foto: Instituut voor Natuurwetenschappen)
De hond van Goyet, de vroegste hond ter wereld, en het allereerste spoor van domesticatie tout court. (Foto: Instituut voor Natuurwetenschappen)
In een andere lade met botten, die gelabeld waren als ‘fauna’, herkenden onderzoekers tussen 2013 en 2015 maar liefst 99 resten van neanderthalers. ‘Ze behoren toe aan zes individuen: vier volwassenen, een kind en een baby’, zegt Patrick Semal, paleo-antropoloog en conservator van het Instituut voor Natuurwetenschappen. ‘En heel opmerkelijk: veel botten vertonen sporen van kannibalisme. De botten werden versneden voor het vlees en opengebroken voor het merg. Recent wees genetisch onderzoek uit dat de volwassen slachtoffers vrouwen waren, en dat ze onderling geen familieband hadden. En ze kwamen niet uit de regio rond Goyet, weten we uit analyse van de zwavelisotopen in de botten. Ze zijn dus wellicht van verschillende plekken naar daar gebracht. Het waren bovendien frêle vrouwen van hooguit 1,50 meter ...’ Een scenario voor een vreselijke whodunit. ‘Misschien was het kannibalisme ingegeven door rivaliteit en competitie tussen neanderthalergroepen.’
Neanderthalers hadden een paar anatomische kenmerken, zoals een dikkere en doorlopende wenkbrauwboog en een gezicht dat wat meer naar voren uitstak, maar ze leken heel erg op ons. (3D-reconstructie: Claude Desmedt, Instituut voor Natuurwetenschappen)
Neanderthalers hadden een paar anatomische kenmerken, zoals een dikkere en doorlopende wenkbrauwboog en een gezicht dat wat meer naar voren uitstak, maar ze leken heel erg op ons. (3D-reconstructie: Claude Desmedt, Instituut voor Natuurwetenschappen)
Uit onze grotten van Goyet: beenderen van neanderthalervrouwen met sporen van kannibalisme. De botten werden opengebroken om er het voedzame merg uit te halen (links), en gebruikt om vuurstenen werktuigen mee aan te scherpen (rechts). (Foto: Instituut voor Natuurwetenschappen)
Uit onze grotten van Goyet: beenderen van neanderthalervrouwen met sporen van kannibalisme. De botten werden opengebroken om er het voedzame merg uit te halen (links), en gebruikt om vuurstenen werktuigen mee aan te scherpen (rechts). (Foto: Instituut voor Natuurwetenschappen)
De neanderthalers van Goyet en Spy zijn zo’n 45.000 en 40.000 jaar oud en bij de laatste neanderthalers van Europa. Uit een genetische studie bleek dat die laatste populaties in België en ook Frankrijk onderling goed verbonden waren, en genetisch divers bleven. Dus ze lijken hier alvast niet tenondergegaan aan inteelt. Waarom verdween deze mensensoort dan? Het blijft een vraagteken. We absorbed the other species out of existence, wordt wel eens geopperd. Sapiens, de anatomisch moderne mens, was zo’n 47.000 jaar geleden al op het Europese continent gearriveerd, migreerde steeds verder naar het noorden, en heeft in de tijdsspanne van zo’n vijfhonderd generaties met de neanderthalers samengeleefd en/of competitie gevoerd. En ze hebben ook nakomelingen voortgebracht. De slinkende neanderthalerpopulaties zouden zo opgegaan zijn in die van de moderne mensen. De neanderthalers zijn dus wel fysiek verdwenen, maar niet genetisch. Mensen vandaag met een Europese of Aziatische achtergrond hebben nog een tot drie procent neanderthaler-DNA. De genen die sapiensen van neanderthalers erfden, zouden invloed hebben op onder meer het immuunsysteem en het metabolisme.
Onderzoekers blijven zoeken naar nieuwe puzzelstukjes die prehistorische mensen achterlieten in onze streken, maar de vindplaatsen zijn na de grote opgravingsmissies van de negentiende en twintigste eeuw erg schaars geworden. In Trou Al’Wesse, een relatief kleine grot in Modave (provincie Luik), is nog een opgraving aan de gang. Archeoloog Damien Flas van Universiteit Luik leidt me rond. ‘We hebben lagen kunnen bereiken uit de tijd van de neanderthalers rond 50.000 jaar geleden. Daarin hebben we voorlopig geen botten gevonden, maar wel vuurstenen werktuigen, dierbotten met slachtsporen, én door stalen sediment door een DNA-lezer te halen hebben we neanderthaler-DNA.’
Een van de weinige nog actieve archeologische vindplaatsen voor het laat-paleolithicum (het einde van de neanderthalers en de komst van de moderne mens): Trou'Al Wesse in Modave. Alles, maar dan ook alles wordt verzameld en vastgelegd op beeld. Een groot verschil met hoe men in de 19de eeuw opgroef. (Foto: Siska Van Parys, Instituut voor Natuurwetenschappen)
Een van de weinige nog actieve archeologische vindplaatsen voor het laat-paleolithicum (het einde van de neanderthalers en de komst van de moderne mens): Trou'Al Wesse in Modave. Alles, maar dan ook alles wordt verzameld en vastgelegd op beeld. Een groot verschil met hoe men in de 19de eeuw opgroef. (Foto: Siska Van Parys, Instituut voor Natuurwetenschappen)
De vindplaats is belangrijk omdat boven die laag met neanderthalermateriaal sporen zijn gevonden van de eerste moderne mensen in onze streken, rond 40.000 jaar geleden. ‘We vonden vuurstenen werktuigen, speerpunten van rendierbot, kralen van mammoetivoor, gegraveerde stukken, objecten met sporen van oker, verbrande botten en botten met snijsporen. Zo krijgen we toch een beeld van hoe ze leefden, joegen en wat ze aten. De grot was duidelijk geen snelle pitstop van een paar jager-verzamelaars die hun wapens moesten bijvijlen. Ze hebben hier echt een tijd verbleven.’
De mensen, zowel neanderthalers als sapiensen, wisten heel goed waar ze de grondstoffen, zoals silex (vuursteen), moesten halen. ‘Het waren eigenlijk geologen’, lacht Damien. ‘Die geologische kennis van hun omgeving heeft hen geholpen zich hier te vestigen en al die barre periodes tijdens de laatste ijstijd te overleven.’ Maar ‘iets’ moet ons een voordeel hebben gegeven: betere werktuigen, beter overleg, betere zorg voor pasgeborenen? En daaraan danken wij ons bestaan.
Uitgelicht
Baksteen in de maag
Toen Teilhardina en co door de subtropische wouden van Dormaal klommen, vanaf 56 miljoen jaar geleden, kwam de Noordzee tot net voor Brussel. Ze liep van het Bekken van Parijs in Frankrijk, over Engeland, het westen van ons land, tot in Nederland en Duitsland. In West-Vlaanderen en het zuiden van Oost-Vlaanderen was de zee diep, tot zo'n honderd meter, ideaal voor het ophopen van klei. Met die vette klei, en de juiste hoeveelheid leem, hebben we in ringovens eeuwenlang bakstenen en dakpannen gebakken. En dat doen we met de onverminderde bouwwoede van vandaag nog altijd. De honderden kleine steenbakkerijen zijn vervangen door een paar grote ondernemingen, die ongeveer een miljard bakstenen per jaar produceren.
Dat grote kleipakket in het westen, de Ieper Groep, heeft een internationaal erkende tijdsperiode opgeleverd: het Ypresiaan, van 56 tot 48 miljoen jaar geleden. Dat is ook het geval met die andere grote kleivoorraad, de Boomse klei, waar het Rupeliaan naar vernoemd werd. Die klei is twintig miljoen jaar jonger, afgezet in een gelijkaardige diepe zee, maar wat meer naar het oosten. In die zee zwommen onder meer zeekoeien. Toen was de wereld wel een icehouse, met een langdurige ijskap op Antarctica. Het Rupeliaan liep van 34 tot 28 miljoen jaar geleden.
Kleiafzettingen hebben - omdat ze moeilijker wegeroderen - in latere periodes ook een aantal heuvelruggen (cuesta's) opgeleverd: als je van Mechelen naar Antwerpen of van Waasmunster naar Rupelmonde een helling oprijdt, dan is dat die Boomse klei. De ontginning langs die heuvelruggen voor het produceren van bakstenen heeft kleiputten achtergelaten, De Schorre in Boom is de bekendste.
De laatste artisanale steenbakkerij, Hove in Ninove. (Foto: Leo Van Vreckem, Wikimedia Commons)
De laatste artisanale steenbakkerij, Hove in Ninove. (Foto: Leo Van Vreckem, Wikimedia Commons)
Uitgelicht
Mooie bleke gebouwen
Om te weten wat er in de ondergrond zit, moet je naar de gebouwen kijken. Men bouwde liefst met wat men lokaal kon ontginnen. Heb je in West-Vlaanderen veelal kerken en stadhuizen uit baksteen, dan zijn ze tussen pakweg Zottegem en Sint-Truiden vaker uit een opvallend witte kalkzandsteen opgetrokken. Dat gebied lag tijdens het midden-Eoceen, rond 45 miljoen jaar geleden, aan een ondiepe, onrustige Noordzeekust met getijdengeulen, waarin zand mengde met de kalk van afgestorven zeeleven. Zand dat aaneenkit met kalk en miljoenen jaren onder de grond blijft, levert dunne maar harde steenbanken op. Met het beige tot witte gesteente zijn onder meer de kathedralen van Antwerpen en Gent, en de stadhuizen van Brussel en van Leuven gebouwd. De Brusseliaanse steen, Gobertangesteen, Ledesteen of Balegemse steen zijn variaties op datzelfde thema van zand en kalk. Hoe ze onderscheiden? In de Ledesteen kun je makkelijk fossielen herkennen, zoals slakkenhuizen, kokertjes van wormen, oesterschelpen, en er zitten nummulieten in, eencellige kalkdiertjes. In de Gobertangesteen zie je ronde tot ovale vlekken, graafgangen van kreeftachtigen. Er is nog één actieve groeve voor Ledesteen in Balegem, en één voor Gobertangesteen in Geldenaken. De periode van deze gesteenten is de laatste subtropische tijd in onze streken. Vanaf dan zal het klimaat geleidelijk gematigder worden.
Ledesteen. (Foto: Instituut voor Natuurwetenschappen)
Ledesteen. (Foto: Instituut voor Natuurwetenschappen)
Uitgelicht
Alpiene gebergtevorming
Op ruimere geologische schaal krijgen we tijdens het Cenozoïcum (het tijdperk na het uitsterven van de dinosauriërs) het hoogtepunt van een nieuwe grote gebergtevorming, de laatste van drie in de voorbije 500 miljoen jaar: na de Caledonische en de Variscische gebergtevorming, is de Alpiene in volle gang. Het is een complex verhaal, maar im Grunde genommen zijn het de zuidelijke platen (de Iberische, Adriatische, Afrikaanse, Arabische en Indische) die tegen de noordelijke Euraziatische plaat botsen en onder meer de Pyreneeën, de Alpen, het Zagros-gebergte en de Himalaya doen oprijzen. Bij die laatste knalt India na een lange verbluffende reis vanaf zuidoostelijk Afrika en Antarctica tegen Azië aan. De Alpiene gebergtevorming doet de langgerekte Tethys-oceaan tussen Europa en Afrika sluiten. Vandaag resteren van die oude zee nog de Middellandse, de Zwarte en de Kaspische Zee. Maar platen blijven in beweging en de Middellandse Zee zal in een verre toekomst wellicht helemaal dichtgaan.
Zuidelijke platen duwen tegen de Euraziatische plaat. (Kaart: Woudloper, Wikimedia Commons)
Zuidelijke platen duwen tegen de Euraziatische plaat. (Kaart: Woudloper, Wikimedia Commons)
Uitgelicht
Antwerps fossielenkerkhof
De alpiene gebergtevorming tilde ook ons gebied lichtjes op en duwde de Noordzee steeds meer naar het noorden. Maar tijdens het Neogeen, vanaf 23 miljoen jaar geleden, kwam ze wél nog makkelijk over Antwerpen en Limburg heen. De fauna die erin gedijde kennen we behoorlijk goed dankzij de vele opgravingen in en rond Antwerpen, en vooral dankzij Pierre-Joseph Van Beneden, een vooraanstaand zoöloog van de Leuvense universiteit. Hij was als soldaat tijdens de Belgische revolutie van 1830 en later als student al begonnen walvisbotten op te graven in de buurt van Antwerpen. Toen in 1859 de aanleg van de fortengordel rond de stad startte, stuurden arbeiders de stukken naar Van Beneden. Vandaag worden bij bouwwerken in en rond Antwerpen nog geregeld skeletten van zeezoogdieren blootgelegd. De vondsten bieden inzicht in het oude ecosysteem van de Noordzee. ‘Er was een verbazingwekkende diversiteit,’ zegt Olivier Lambert. ‘Er leefden uitgestorven verwanten van moderne potvissen, bruinvissen, spitssnuitdolfijnen, vinvissen, zeehonden, walrussen en zelfs zeekoeien. Daarnaast waren er ook vertegenwoordigers van inmiddels uitgestorven families, waaronder langsnuitige dolfijnen en kleine baleinwalvissen.’
De zanden in de Antwerpse ondergrond leveren ook haaientanden bij de vleet. Naar één haai zijn paleoliefhebbers vooral op zoek: Otodus megalodon, de grootste haai die ooit geleefd heeft, en ook hier onze wateren onveilig maakte tot zo’n 3,6 miljoen jaar geleden. Normaal vind je van haaien, waarvan het skelet uit kraakbeen bestaat en moeilijk fossiliseert, alleen de tanden. Maar bij de bouw van de fortengordel rond Antwerpen in de negentiende eeuw is uitzonderlijk ook een groot stuk van de wervelkolom opgegraven: 151 wervels, de best bewaarde wervelkolom van een megalodon ter wereld. Daaruit leidden paleontologen af dat dit dier zestien meter lang moet zijn geweest, en 46 jaar oud. De haaien kwamen niet toevallig in Antwerpen rondhangen: het was een kraamkamer voor walvisvrouwtjes die van de noordelijke wateren naar warmere zones kwamen afgezakt. Walviskalfjes moeten voor Megalodon een smakelijk vieruurtje zijn geweest.
Historische opstelling van het best bewaarde megalodon-skelet ter wereld. Opgegraven in de 19de eeuw in Antwerpen, met 151 bewaarde wervels. De tanden komen van verschillende individuen. (Foto: Instituut voor Natuurwetenschappen)
Historische opstelling van het best bewaarde megalodon-skelet ter wereld. Opgegraven in de 19de eeuw in Antwerpen, met 151 bewaarde wervels. De tanden komen van verschillende individuen. (Foto: Instituut voor Natuurwetenschappen)
Maar ook in kleinere fossielen uit de Antwerpse zandlagen schuilt fascinerend nieuws. Zo analyseerden onderzoekers schelpen van oesters en kokkels die drie miljoen jaar geleden, tijdens het Plioceen, in de Noordzee leefden, in een klimaat waar we met de huidige opwarming naar op weg zijn voor het jaar 2100: 2,5 à 3 graden Celsius warmer dan het pre-industriële tijdperk. Uit de chemische samenstelling van de kalk in de schelpen konden de wetenschappers afleiden dat de zomers in dat opgewarmde klimaat véél warmer werden dan de winters. 'Of hoe een schelp van drie miljoen jaar geleden ons waarschuwt voor nog meer hittegolven en hittedoden in de toekomst', zegt Stijn Goolaerts (Instituut voor Natuurwetenschappen), die meewerkte aan de studie. Die felle opwarming aan het einde van het Plioceen is de laatste opwarmingspiek voor het ijstijdvak aanbreekt, het Kwartair (2,58 miljoen jaar geleden tot nu). Het is in die periode dat de Noordzee na 60 miljoen jaar van weg-en-weer, Vlaanderen verlaat, voorgoed. Althans, dat hopen we.
Eén van de fossiele schelpen van 3 miljoen jaar oud, waaruit het klimaat van toen kon worden gereconstrueerd. (Foto: Doris Smudde)
Eén van de fossiele schelpen van 3 miljoen jaar oud, waaruit het klimaat van toen kon worden gereconstrueerd. (Foto: Doris Smudde)
Het Instituut voor Natuurwetenschappen reconstrueert de omzwervingen van het lapje grond België: vanaf de zuidpool tot waar we nu liggen. Een serie over de bijzondere geologie van ons land in vijf longreads, vijf podcastafleveringen en vijf posters.
Dit vijfde en laatste artikel staat in het oktobernummer 2026 van Eos Wetenschap.
Je vindt alles op www.naturalsciences.be/r/planeetbelgie
Met steun van het Wernaersfonds van Fonds de la Recherche Scientifique (FNRS).
Een welgemeende dank aan onder meer:
- Geoloog Kris Piessens (Instituut voor Natuurwetenschappen) voor de inspiratie en begeleiding
- Geologen Jasper Verhaegen (auteur van de must-read De geschiedenis van onze grond) en Kathelijne Bonne (van de fantastische blog GondwanaTalks) om na te lezen.
- Sound designer Joris Van Damme en muzikant Bart Couvreur voor de podcast
- Illustratrice Vinciane Decamps (Vinch Atelier) voor de posters
- Videomaker Stijn Pardon (Instituut voor Natuurwetenschappen) voor de trailer
- Jerom Gerard voor de hulp bij de research.
- Al wie me voor deze reeks op sleeptouw nam door de diepe tijd
