België als tropisch koraalrif

PLANEET BELGIË
Deel 2:
Aan de rand van een landmassa

Vierhonderd miljoen jaar geleden ligt België net onder de evenaar. Na een periode van botsingen en gebergtevormingen erodeert ons land tot een plat pays en verdwijnt het grotendeels onder een tropische zee met koraalriffen. Ze zullen verstenen tot het wereldberoemde Belgische marmer. Het leven waagt zich intussen aan land, waaronder de eerste planten, en in hun kielzog de eerste insecten en onze verre voorouders, de viervoeters.

Reinout Verbeke

PLANEET BELGIË,
de odyssee van ons land



Onze lap grond in het hart van Europa heeft er een bewogen reis van zo’n vijfhonderd miljoen jaar op zitten. België longtemps-avant-la lettre begon dicht bij de zuidpool, passeerde langs de evenaar en meerde – voorlopig – aan in het noordelijk halfrond.

Een reis vol dramatische botsingen. Ze hebben van ons land een geologisch eldorado gemaakt. We trekken mee met geologen, paleontologen en burgerwetenschappers, die het landschap en het leven dat er ooit in rondzwom, –kroop of –vloog reconstrueren.

Maak je klaar voor de diepste reis door ons land, in vijf delen. Dit is de tweede aflevering.

Als je over de roodmarmeren vloer van het Paleis voor Schone Kunsten (Bozar) in Brussel loopt, of die van de Gentse Boekentoren of van het Leuvense stationsgebouw, stap je over koraalriffen. Riffen die in onze streken zijn gevormd tussen 390 en 325 miljoen jaar geleden (laat-Devoon, vroeg-Carboon). België lag toen net onder de evenaar. En we kwamen van nòg zuidelijker. Ongelofelijk maar waar, platentektoniek heeft ons van bij de zuidpool helemaal naar het noordelijk halfrond doen reizen. En halverwege dat traject waren Limburg en Wallonië één groot rif. Denk aan het Groot Barrièrerif in Australië: een langgerekt koraalrif op enige afstand van de kustlijn, met lagunes dicht bij het vasteland en atolachtige eilanden dieper in zee. Het zeeoppervlak kon meer dan dertig graden Celsius warm zijn, zoals in de tropen vandaag… Zo’n aangenaam en helderblauw water, wie zou er niet in willen duiken?

Wat je al duikend zou zien? Ten eerste stromatoporen, een uitgestorven groep van grote sponzen die de basis van het rif vormen. Het patroon waarin ze groeien doet denken aan het wifi-symbool op je gsm. Op en tussen de sponzen hebben zich vele soorten koralen genesteld. De koralen staan vaak in kolonies, en hebben soms een honingraatvorm. Maar je hebt ook solitaire koralen, met conische kelkjes. Elke dag produceren huidige soorten een laagje van kalk en elk jaar een dikkere band, wellicht door seizoensgebonden veranderingen in watertemperatuur. Een paleontoloog was zo slim de groeilijnen van kalk in bestaande en fossiele koralen te tellen, en stelde vast dat een jaar in het midden-Devoon zo’n vierhonderd dagen telde, zeventig miljoen jaar later nog 390, en vandaag 365. De aarde tolt dus steeds trager om haar as.

België 406 miljoen jaar geleden op het pasgevormde continent Laurussia (of Euramerika), een samenbotsing van Laurentia (het huidige Noord-Amerika en Groenland) met Baltica (Noord-Europa) en Avalonië (Noordwest-Europa). De botsingen doen de Caledonische gebergteketen oprijzen.

België 406 miljoen jaar geleden op het pasgevormde continent Laurussia (of Euramerika), een samenbotsing van Laurentia (het huidige Noord-Amerika en Groenland) met Baltica (Noord-Europa) en Avalonië (Noordwest-Europa). De botsingen doen de Caledonische gebergteketen oprijzen.

België 380 miljoen jaar geleden, in kalme wateren. Maar het supercontinent Gondwana, waar we als Avalonië van af waren gescheurd, haalt ons langzaam maar zeker weer in vanuit het zuiden. (C.R Scotese and GPlates)

België 380 miljoen jaar geleden, in kalme wateren. Maar het supercontinent Gondwana, waar we als Avalonië van af waren gescheurd, haalt ons langzaam maar zeker weer in vanuit het zuiden. (C.R Scotese and GPlates)


In de Belgische zee van het Devoon zie je overal zeelelies. Het lijken bloemen, maar het zijn filterende zeediertjes. Andere filterdieren: de brachiopoden of armpotigen, schelpdieren die met een steeltje vastzitten op een stenige ondergrond en vaak in groep bijeenstaan. Tussen al die immobiele fauna is er ook heel wat beweging. Er kruipen trilobieten rond, de uiterst succesvolle drieledige ongewervelden verwant met de huidige insecten, spinnen en kreeften. Ze zien er een beetje uit als pissenbedden. En je ziet inktvisachtigen voorbijkomen. Je hebt er in een rechte of wat gekromde schelp – die ontstonden zo’n 490 miljoen jaar geleden al – maar in het Devoon vind je er steeds meer met een mooie opgerolde schelp.

‘Dit zijn stuk voor stuk fauna die je in marmeren vloeren, trappen, vensterbanken en omlijstingen kunt herkennen, als je er oog voor hebt tenminste’, zegt geologe Marleen De Ceukelaire. We staan beiden voorovergebogen op de monumentale roodmarmeren trap van het Instituut voor Natuurwetenschappen, en speuren met smartphonelichtjes de treden af naar zeeleven dat zo'n 380 miljoen jaar bewaard gebleven is. En we zien ze trede voor trede opdoemen: de contouren van brachiopoden, doorsnedes van koralen, stukken van zeeleliestelen, en in de buurt van de lift ligt een spiraalvormige inktvisschelp vereeuwigd. Het zou een Manticoceras zijn, verwant met de latere ammonieten.

Roodmarmeren trap van het Instituut voor Natuurwetenschappen. (Foto: Danny Ghys)

Roodmarmeren trap van het Instituut voor Natuurwetenschappen. (Foto: Danny Ghys)

Prachtige inktvisachtige (verwant met de ammonieten) in het Belgisch rood marmer van het Instituut voor Natuurwetenschappen. (Foto: Siska Van Parys)

Prachtige inktvisachtige (verwant met de ammonieten) in het Belgisch rood marmer van het Instituut voor Natuurwetenschappen. (Foto: Siska Van Parys)

Marleen heeft het meest geoefende oog in ons land, cureert onze nationale geologische collecties en schreef mee aan een standaardwerk over Belgisch marmer. ‘Je hebt Belgisch marmer in allerlei schakeringen van rood, roze, grijs en zwart, en het is vaak doorsneden met grillige witte lijnen of vlekken. Dat is het mineraal calciet. Het mineraal heeft de lege ruimtes in de kalksteen opgevuld. Denk aan spleten en breuklijnen die er door tektonische processen kwamen of doordat zachte organismen zoals sponzen, nadat ze zijn afgestorven, een holte achterlaten in het sediment. Die felwitte calcietaders geven het marmer karakter.’

Marleen De Ceukelaire, conservator van de geologische collecties van het Instituut voor Natuurwetenschappen (Foto: Danny Ghys)

Marleen De Ceukelaire, conservator van de geologische collecties van het Instituut voor Natuurwetenschappen (Foto: Danny Ghys)

Belgisch marmer was lang een booming business. Tussen 1850 en 1915 waren er 175 (!) gemeenten met (vaak meerdere) marmergroeves. Tijdens de Wereldtentoonstelling van 1897 in Brussel kon je in het Jubelpark naar een paleis integraal gewijd aan de Belgische marmerindustrie. De rode varianten, met namen als Griotte (kersenrood), Rouge Royal (rood) en Byzantin (rood-zwart), werden gretig ontgonnen voor monumentale gebouwen in binnen- en buitenland. Maar de winning in onze streken gaat al vele eeuwen verder terug: de Zonnekoning liet Belgisch rood marmer verwerken in onder meer de spiegelzaal van zijn Paleis van Versailles, en de Romeinen voegden al stukjes rood, zwart en grijs marmer toe in hun mozaïeken. Ex omnibus Belgae pulcherrimum marmor habent.

Het rood, roze en grijs marmer is gevormd in onderwaterheuvels of mud mounds iets dieper in zee. ‘Door een oneffenheid op de zeebodem vormde zich over vele jaren een berg van modder’, zegt Marleen. ‘Daarop nestelde zich dan een brede waaier aan zeeleven. We hebben honderden van die onderwaterheuvels kunnen identificeren in het zuiden van België.’ Waar de heuvel gevormd wordt, diep in de zee, is er weinig licht. Daar konden lichtschuwe ijzerbacteriën gedijen. ‘Zij zetten ijzer om in ijzeroxide, in roest dus. En dat geeft ons bekende marmer die dieprode kleur. Iets hoger in de waterkolom wordt roze marmer gevormd – minder ijzerbacteriën want meer zonlicht. En bovenaan op de onderwaterheuvel, dicht bij het wateroppervlak – nog meer licht – de grijze variant.’

De groeve voor rood marmer in Beauchâteau (Senzeille, provincie Namen), waar de marmervariant 'Rouge royal' werd ontgonnen. Je ziet mooi de koepelvorm: dit was een kalkslibheuvel in de diepere wateren van de Waalse zee van het laat-Devoon. (Foto: Reinout Verbeke)

De groeve voor rood marmer in Beauchâteau (Senzeille, provincie Namen), waar de marmervariant 'Rouge royal' werd ontgonnen. Je ziet mooi de koepelvorm: dit was een kalkslibheuvel in de diepere wateren van de Waalse zee van het laat-Devoon. (Foto: Reinout Verbeke)

Ons rood marmer is legendarisch, maar het zwart marmer is echt uniek. Het pikzwarte marmer werd niet op die onderwaterheuvels gevormd, maar onder meer in lagunes dicht bij het vasteland. Daar stroomde organisch materiaal het ondiepe zeewater in. Een paar procent organische koolstof kon de kalksteen al zwart kleuren. Omdat het zuurstofarme plaatsen waren, gedijde er weinig leven en zitten in het gesteente geen fossielen. ‘Het Belgische zwart marmer is het zwartste ter wereld. Sommige Arabische landen en de Verenigde Staten zijn er verzot op voor hun paleizen en capitolen.’

Ondergrondse groeve voor zwart marmer in Mazy (provincie Namen). (Foto: Reinout Verbeke)

Ondergrondse groeve voor zwart marmer in Mazy (provincie Namen). (Foto: Reinout Verbeke)

Zijn de ruwe blokken nog grijs, gepolijst worden ze egaal zwart. (Foto: Reinout Verbeke)

Zijn de ruwe blokken nog grijs, gepolijst worden ze egaal zwart. (Foto: Reinout Verbeke)

Er is vandaag nog één enkele groeve voor zwart marmer actief, in Mazy. Meteen de enige nog actieve marmergroeve in België. En wat zeldzaam is, is duur. Het Belgische zwart marmer werd en wordt vaak in dambordpatroon gelegd met het witte marmer van Carrara in Noord-Italië. Dat witte marmer heeft geologisch gezien meer recht op de term ‘marmer’. Marmer is volgens de definitie metamorf gesteente. Dat wil zeggen dat zijn kristalstructuur is veranderd onder enorme druk en hitte: door tektonische bewegingen wordt het gesteente diep in de aardkorst geduwd. Belgisch marmer heeft die extreme omstandigheden van in Carrara – bij de vorming van de Apennijnen en de Alpen – niet ondervonden. Ons marmer is dus een gewone sedimentaire kalksteen. ‘Maar we kunnen ons prachtige erfgoed toch moeilijk ‘Belgische kalksteen’ noemen’, lacht Marleen. ‘Marmer komt van het Griekse marmaros, ‘glanzende steen’, dus in die zin klopt het wel, want hij is tot een glimmende steen gepolijst.’

Een andere kalksteen, een die zowat iederéén in huis heeft, is de Belgische blauwe hardsteen, petit granit of arduin. Als je je gevelstenen, vloertegels of vensterbanken van blauwsteen inspecteert, zie je sporadisch een fossiele schelp of een stukje koraal, maar zeker ook ontelbare witte vlekjes. Dat zijn resten van zeeleliestengels, die 350 miljoen jaar geleden met hun steel van kalk op de bodem stonden en al wapperend voedseldeeltjes uit het water filterden. Ze stonden in ‘weides’ bijeen, stierven voortdurend af en vormden op den duur dikke kalkpakketten, die later versteenden. Breek je zo’n stukje blauwsteen in tweeën, dan ruikt het eventjes naar rotte eieren: de geur van waterstofsulfide (H2S), het gas dat overblijft nadat bacteriën het organisch zeeleliemateriaal afbreken. De Belgische blauwsteen krijgt concurrentie van een gelijkaardige kalksteen uit China, maar ons origineel kan bogen op een rijke geschiedenis in de architectuur en is een van de 55 internationaal erkende Heritage Stones, naast het Belgische zwart marmer en de Ledesteen. Er zijn nog vier actieve groeven voor petit granit in de buurt van Soignies in Henegouwen.

Een van de arduingroeven in Soignies, Henegouwen. (Foto: Reinout Verbeke)

Een van de arduingroeven in Soignies, Henegouwen. (Foto: Reinout Verbeke)

Vissentijd

Dwing een paleontoloog het Devoon (419 tot 359 miljoen jaar geleden) in één woord samen te vatten en hij of zij zal zeggen: vissen. In de tropische oceanen van toen worden ze diverser, complexer en dominant. Een sleutelperiode in onze menselijke evolutie, want mensen en alle andere viervoeters – amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren – komen voort uit vissen met stevige vinnen die het grensgebied van zoet water en land begonnen te verkennen. Twee grote vernieuwingen, al vóór het Devoon, zijn de ontwikkeling van kaken en van vinnen. Kaken zijn misschien wel de meest bepalende geweest: ze hebben het gezicht van het leven op aarde voorgoed veranderd.

Vissen waren aanvankelijk kaakloos. Ze hadden een ronde mond met structuren van keratine, zoals lampreien of prikken vandaag. Daarmee klinken ze zich aan grotere vissen vast om bloed te tappen, of stofzuigen ze voedseldeeltjes op de zeebodem. Zulke langgerekte vissen waren vele miljoenen jaren heel succesvol, maar ze werden tijdens het Devoon overklast. Kaken waren een troefkaart geworden, want je kunt ermee kauwen en dus veel grotere prooien mee naar binnen spelen. Hoe zijn die kaken geëvolueerd? Zowel kaakbeenderen als kieuwen komen voort uit een reeks ‘kieuwbogen’. De voorste van die bogen vormde de basis voor de kaken, de overige bogen ontwikkelden zich tot kieuwen. Dat de voorste kieuwbogen wat naar voren begonnen te steken, was een voordeel: zo kon een vis zijn mond open houden. Water stroomde dan gemakkelijker door de kieuwen heen, waardoor de vis beter zuurstof kon opnemen.

De drie grootste groepen gewervelden vandaag hebben kaken. Dat zijn ten eerste de kraakbeenvissen, zoals haaien en roggen. En dan heb je de vissen met een hard skelet, de beenvissen. Binnen die beenvissen heb je twee groepen. De straalvinnigen, 99 procent van de vissen vandaag, hebben dunne staafjes die de huid van de vinnen ondersteunen, maar die vinnen bevatten geen spieren. De andere beenvissen zijn de kwastvinnigen, zeldzaam geworden vissen met stevige, gespierde vinnen (zie kaderstuk onderaan: Uitgestorven coelacant komt boven water). Uit die laatste groep van nogal plompe vissen zijn alle gewervelde viervoeters ontstaan.

‘Kwastvinnigen hebben in hun vinnen al de basisstructuur van onze armen en benen’, zegt Sébastien Olive, paleontoloog aan het Instituut voor Natuurwetenschappen. Ze hebben één steviger bot (bovenarm/bovenbeen), twee kleinere botten (onderarm/onderbeen), kleine botjes (pols/enkel) en vingers of tenen.’ Tiktaalik roseae is misschien wel de beroemdste tussenvorm in de evolutie naar viervoeters: het fossiele skelet werd in 2006 beschreven door het team van de Amerikaanse paleontoloog Neil Shubin. Tiktaalik was 2,5 tot drie meter lang, en leefde 383 miljoen jaar geleden in de tropische moerassen van het noorden van Canada. Ter herinnering: de VS, Canada en Groenland waren toen ‘buurlanden’ van ons. We lagen samen op het grote continent Laurussia (of Euramerika) rond de evenaar.

Sébastien: ‘We vinden fossielen van de eerste viervoeters op plekken die vroeger ondiep waren, zoals moerassen en getijdengebieden. Sterkere, flexibelere vinnen zijn daar voordelig als je je door waterplanten moet wringen en je kunt je ermee opdrukken in ondiep water.’

Tiktaalik roseae. (Maggie, CC BY-NC-ND 2.0)

Tiktaalik roseae. (Maggie, CC BY-NC-ND 2.0)

Zwemmende ridders

Ik sta met Sébastien aan de rand van een weg in Strud, een onooglijk dorpje bij Namen. We kijken naar een piepkleine groeve, waaruit inwoners eind negentiende, begin twintigste eeuw kalksteen wonnen van 365 miljoen jaar oud. Ze bouwden er hun huizen mee. ‘Ik ben er zeker van dat in die muren nog topfossielen zitten’, lacht hij. We klimmen de steile flank omhoog en maken bovenaan rotsblokken los met onze geologische hamer, om ze daarna verder te kleinen en met een loepje te inspecteren.

Wat zoeken we? Pantservissen of placodermen, de eerste vissen met kaken. Er zwom een waaier aan pantservissoorten rond in onze zeeën, van kleine bodemschuimers tot reusachtige toppredatoren. Ze hadden allemaal een kop en borstkas die bedekt waren met benige platen, die fossiliseerden. De flexibelere staart uit kraakbeen, met daarop schubben, verging meestal. Pantservissen zagen eruit als zwemmende ridders. Een van de indrukwekkendste soorten was Dunkleosteus terrelli. Een recente studie halveerde hem in lengte tot máár maximaal 4,6 meter. Het blijft een beest dat je tijdens een duik in de zee van het Devoon niet zou willen tegenkomen. Hij had een beet van naar schatting vijfduizend Newton, dubbel zo krachtig als een T. rex-beet.

In die onooglijke groeve in Strud vonden Sébastien en zijn collega’s tussen 2004 en 2015 een waaier aan fauna en flora die in het late Devoon in en aan zoet water leefden: vroege viervoeters, vroege kreeftachtigen, vroege planten, mogelijk een van de oudste insecten, … En ze vonden ook babypantservisjes, verschillende soorten op één plek. Het moet dus een kraamkamer zijn geweest, in een zijarm van een rivier, waar pantservissen hun eitjes dropten of hun jongen levend baarden. Na zo’n twee uur kappen vinden we stukjes pantser van een kleinere pantservis, een schub van een reusachtige kwastvinnige en een stekel van een primitieve vis die op een haai leek. Geen slechte vangst voor twee uur kloppen.

We hebben niet het geluk dat een koppel burgerpaleontologen in 2017 te beurt viel: zij vonden een volledig pantser van een pantservis in de groeve van Lompret, vlak naast het abdijbierdorp Chimay in het zuiden van Henegouwen. ‘We wisten met ons enthousiasme geen blijf toen we beenplaat voor beenplaat blootlegden’, zegt Natalie Tolisz, wanneer ik haar spreek op een bijeenkomst van burgerpaleontologen. Met haar echtgenoot Kevin Houben schonk ze de spektakelvondst aan de collecties van het Instituut voor Natuurwetenschappen. Een fossiel moet in een openbaar wetenschappelijk depot opgenomen zijn voor wetenschappers het officieel kunnen bestuderen. En die studie is nu aan de gang. ‘Het is wellicht een nieuwe soort’, verklapt Kevin. Een belangrijke ontdekking in de maak, en dat door weekend na weekend in een steengroeve te krabben naar fossielen, puur uit passie. Natalie en Kevin zijn niet alleen: elk weekend redden vele tientallen burgerwetenschappers paleontologisch erfgoed van de meedogenloze bulldozers.

Een koppel burgerpaleontologen stootte in 2017 in de groeve van Lompret op het volledige pantser van een grote pantservis. De vondst ligt in zes zulke lades. Grote pantservissen zoals Dunkleosteus waren de toproofdieren van het laat-Devoon.

Een koppel burgerpaleontologen stootte in 2017 in de groeve van Lompret op het volledige pantser van een grote pantservis. De vondst ligt in zes zulke lades. Grote pantservissen zoals Dunkleosteus waren de toproofdieren van het laat-Devoon.

Ineengepuzzeld zou de schedel er ongeveer zo uit moeten zien. (Foto: Thierry Hubin)

Ineengepuzzeld zou de schedel er ongeveer zo uit moeten zien. (Foto: Thierry Hubin)

Pioniers op het land

Illustratie van de 'reuzenzwam' Prototaxites die over de grond groeit. In andere publicaties wordt dit organisme rechtopstaand afgebeeld.

Illustratie van de 'reuzenzwam' Prototaxites die over de grond groeit. In andere publicaties wordt dit organisme rechtopstaand afgebeeld.

Het leven in zee is een boeiend spektakel geworden, maar wat viel er aan land te beleven? Wel, een allesveranderende omslag. Toen we nog een deel van Gondwana waren, een gigacontinent op de zuidpool, en ook toen we er rond 480 miljoen jaar geleden van afscheurden tot het microcontinent Avalonië, was het landoppervlak een doodse woestenij. Maar in de periode dat Avalonië noordwaarts migreert – tijdens het ordovicium, en het daaropvolgende siluur – zetten schimmels en planten waar ze kunnen ‘voet’ aan wal. Zij vormen de eerste landecosystemen.

De eerste landplanten, afstammelingen van groenalgen in het water, zijn mossen: levermossen, hauwmossen en (blad)mossen. Zij slagen erin steeds verder weg te bewegen van meren en rivieren door zelf water op te houden en zich te verankeren met haarachtige worteltjes. Maar ze hebben geen uitgebreid vaatstelsel, dus geen snelweg voor voedingsstoffen. Een van de eerste planten, wél met een stengeltje én een vaatstelsel, is Cooksonia. Dit plantje van hooguit een pink groot heeft een vertakte stengel die uitloopt op sporendoosjes. Het zijn de mossen en minivaatplantjes zoals Cooksonia die het land een kleur geven die het voordien nooit heeft gehad: groen. Fossielen van Cooksonia zijn zeldzaam, maar je vindt ze zowat in de hele wereld: ze groeiden dus op ‘ons’ continent Laurussia, dat in de tropische gordel lag, maar ook op het zuidelijkere megacontinent Gondwana, met een gematigder klimaat. De aarde heeft nu voor het eerst textuur.

En vanaf het devoon ontwikkelen de vaatplanten zich verder, en krijgen we de eerste boompjes, mét bladeren, wortels en ook een houtstructuur. Het langste organisme aan land is tot ver in het Devoon geen plant, maar een organisme van liefst acht meter lang en één meter breed: Prototaxites. Volgens sommige paleontologen was het een zwam met een extreem hoog of lang vruchtlichaam, volgens andere experts is het een korstmos, een wel héél succesvolle samenwerking tussen een alg en een schimmel. Bizar waren deze organismen zeker: palen die boven de lage plantenbegroeiing uittorenden, of horizontaal over de bodem groeiden.

Het land wordt steeds groener en door de concurrentie om licht, nodig voor fotosynthese, werken planten zich verder de hoogte in. In het late Devoon krijg je de eerste hoge bomen, zoals Archaeopteris: tot enkele tientallen meters hoog, met een interne structuur van hout, en stevige wortels waarmee ze zich vastklinken in de ondergrond. De iconische ‘reuzenzwam’ Prototaxites is tegen het einde van het Devoon uitgestorven. Weggeconcurreerd door het groeiende leger hoge bomen?

Een nieuwe
voedingsbodem

Meanderende rivier.

Meanderende rivier. (Charbonet Sidney, USFWS on Pixnio)

Meanderende rivier. (Charbonet Sidney, USFWS on Pixnio)

De kolonisatie van het land door planten verandert de ondergrond van de continenten drastisch: er ontstaat veel meer fijnkorrelig sediment. Dat is er altijd al geweest, al sinds er rotsen waren. Die verweerden en het fijnkorreligste en dus lichtste afbraakmateriaal, silt en klei, stroomde ongeremd de zee in. Het hoopte zich op in de diepergelegen kalme mariene zones. De zwaardere afbraakproducten zand, kiezels en keien werden steevast ondieper gelost.

Silt en klei kunnen iets dat zand niet kan: plakken. Doordat planten nu dicht bij waterwegen groeien, vormen ze een dammetje voor de meegevoerde silt- en kleideeltjes in het water. De deeltjes kleven niet alleen aan de planten, maar ook aan elkaar. Op den duur krijg je dikke afzettingen, banken van fijnkorrelig sediment. En die dwingen het water in een slalom van buiten- en binnenbochten. De rivieren, die voordien breed en in een ‘vlechtpatroon’ naar zee vloeiden – verschillende stromen chaotisch door elkaar, zoals in een delta – slingeren vanaf nu veel meer netjes in één kanaal. Meanderende waterlichamen zijn in de geschiedenis van de planeet duseen relatief recent fenomeen.

Planten doen nog veel meer. Het zijn belangrijke spelers in de verwering: hun wortels wringen zich in rotsspleten en door de druk worden de scheuren groter. Hun wortels scheiden ook organische zuren af, die mineralen oplossen. Die mechanische en chemische verwering helpt rotsen af te breken, waarna er nog meer afbraakmateriaal naar zee vloeit en onderweg als modder blijft haken in bochten.

Planten zijn ook hun eigen telers: afgevallen bladeren en dode wortels vormen humus, en dat verrijkt de bodem met voedingsstoffen zoals stikstof, kalium en calcium. Bij overstromingen vloeide modder vol voedingsstoffen over de oevers heen en bedekte het naburige land. Zo kreeg je de eerste overstromingsvlakten, de voedingsbodem voor de eerste bossen. Modder en plantengroei gingen hand in hand en versterkten elkaar. Dat stelden onderzoekers van Cambridge vast door het aandeel mudstone (versteende silt en klei) te bepalen tijdens het siluur en devoon. Tussen 450 miljoen en 400 miljoen jaar geleden vermenigvuldigde het aandeel modder op aarde maal tien. En de correlatie was duidelijk: meer mudstone naarmate er meer planten met vaatstelsels en wortels waren ontstaan.

De aanwas van modder veranderde niet alleen het land maar ook de lucht. Als plantenresten door klei worden bedekt, vergaan ze niet. Daardoor blijft de CO2 die de planten opnamen in de ondergrond gevangen en komt ze niet terug in de atmosfeer terecht. Modder wereldwijd werd zo een enorm reservoir voor CO2. Vandaag houdt klei een vijfde van onze jaarlijkse koolstofdioxideuitstoot gevangen.

Vruchtbare overstromingsgebieden met constante begroeiing zijn de eerste omgevingen waarin dieren kunnen overleven. Na de planten en schimmels wagen geleedpotigen – de groep van de insecten en spinnen – zich aan land, want er valt iets te eten. Op hun beurt duwen kwastvinnigen zich steeds verder op het droge, en bevoordeelt natuurlijke selectie poten die het lijf kunnen dragen, en het ademen met longen. De meest directe voorouders van viervoeters hadden al een dubbele ademhaling ontwikkeld: naast kieuwen ook longachtige structuren, die zuurstof uit de lucht haalden als het water te zuurstofarm was geworden. Een cruciale aanpassing als je je toevlucht moest zoeken aan land.

Verstikkend en ijskoud einde

Aan het einde van het Devoon, zo’n 372 miljoen jaar geleden, raakten de oceanen wereldwijd zo zuurstofloos dat driekwart van alle soorten uitstierf tijdens de Kellwasser-crisis. Deze massa-extinctie, een van de grote vijf, was vergelijkbaar met de bekende uitsterving die later de niet-vliegende dino’s finaal nekte.

Rifbouwers zoals koralen, maar ook trilobieten, ammonieten en pantservissen werden hard getroffen. ‘Zuurstofarme zones in zeeën en oceanen zijn van alle tijden’, zegt paleontoloog Stijn Goolaerts van het Instituut voor Natuurwetenschappen, die een onderzoeksproject is gestart naar de Kellwasser-crisis in België. ‘Meestal zijn ze lokaal, kortstondig, en maar in een stukje van de waterkolom. Pas wanneer die dode zones in oppervlakte en aantal toenemen, lang blijven aanhouden en grotere delen van de waterkolom gaan omvatten, maken ze het leven onmogelijk.’

De oorzaak was waarschijnlijk een cocktail van factoren: landplanten spoelden voedingsstoffen naar zee, wat leidde tot explosieve algenbloei die bij het afsterven alle zuurstof uit het water trok. Mogelijk speelden ook vulkanische uitbarstingen in Siberië en veranderingen in de aardbaan een rol. ‘Geen enkele wereldwijde extinctie heeft één oorzaak’, zegt geoloog Xavier Devleeschouwer van het Instituut voor Natuurwetenschappen. ‘Het is de combinatie die de cocktail giftig maakt en hele ecosystemen over de rand duwt.’

Dertien miljoen jaar na de ecologische ramp van Kellwasser kreeg het leven een tweede uppercut: een wereldwijde afkoeling, het Hangenberg Event. ‘De aarde tuimelde van een warme periode in een icehouse. De wereld veranderde drastisch, met ijskappen op de polen. Daarvan hebben we geologische sporen in Zuid-Amerika: morenen. Dat is het puin dat een gletsjer tijdens het afschuiven meeneemt en achterlaat als hij smelt of zich terugtrekt.’

360 miljoen jaar geleden, aan het einde van het Devoon. De wereld verandert in een icehouse, met ijskappen op Gondwana. Een ijstijd die meer dan honderd miljoen jaar zal duren. Bij ons in de tropische gordel blijft het wel warm. (C.R. Scotese en GPlates)

360 miljoen jaar geleden, aan het einde van het Devoon. De wereld verandert in een icehouse, met ijskappen op Gondwana. Een ijstijd die meer dan honderd miljoen jaar zal duren. Bij ons in de tropische gordel blijft het wel warm. (C.R. Scotese en GPlates)



Met twee grote uitstervingsgolven sluiten we het Devoon af, en komen we het Carboon binnen. Het leven gaat door een flessenhals, maar komt er zoals altijd doorheen. Dit nieuwe tijdperk zal de planeet de eerste écht indrukwekkende bossen geven, die later zullen verstenen tot steenkool. Voor ons mensheid een zegen, de motor van de Industriële Revolutie, én een vloek, de huidige klimaatopwarming. Wat er in die oerbossen van het carboon krioelt, kruipt en vliegt, tart de verbeelding. Niet geschikt voor mensen met een spinnen- en insectenfobie!

UITGESTORVEN COELACANT KOMT BOVEN WATER

Wie een rondleiding krijgt achter de schermen van het Instituut voor Natuurwetenschappen in Brussel, komt in een van de bewaarzalen van de ‘recente gewervelden’ bij een bijzondere bak. Daarin ligt, op sterk water, een coelacant van zo’n twee meter. Schrikken! Als ik de oervis in de ogen kijk, ben ik bijna even overdonderd als de Zuid-Afrikaanse bioloog James L. B. Smith. Hij ging in 1939 de eerste gevangen coelacant bekijken in het kleine East London Museum van curator Marjorie Courtenay-Latimer. ‘That first sight hit me like a white-hot blast and made me feel shaky and queer, my body tingled. I stood as if stricken by stone’, schreef hij. De vis lijkt uit een ander tijdperk te komen, en ergens is dat ook zo.

Coelacanten – een groep van kwastvinnige vissen – waren toen al een eeuw bekend, maar alleen van fossielen vanaf het vroege devoon, zo’n 415 miljoen jaar geleden. En men dacht dat deze groep samen met de dinosauriërs was uitgestorven. Maar in 1938 kreeg Courtenay-Latimer een telefoontje van een visser die haar vroeg een ongebruikelijke vangst te komen bekijken: een vreemde, blauwige vis met vinnen die leken op ledematen. Ze voelde dat het iets bijzonders was. Omdat ze geen koelruimte had, liet ze de vis opzetten door een taxidermist. James Smith herkende hem als een coelacant en doopte de soort Latimeria chalumnae, naar Marjories familienaam. Een van dé taxonomische topvondsten van de twintigste eeuw staat nog altijd in dat Zuid-Afrikaanse museum.

Coelacant (een kwastvinnige) van ongeveer 74 kilogram uit de Grand Comore. Dit ‘levende fossiel’ wordt bewaard in de collecties van het Instituut voor Natuurwetenschappen. (Foto: Thierry Hubin)

Coelacant (een kwastvinnige) van ongeveer 74 kilogram uit de Grand Comore. Dit ‘levende fossiel’ wordt bewaard in de collecties van het Instituut voor Natuurwetenschappen. (Foto: Thierry Hubin)

Coelacant is een zogeheten levend fossiel. Een term die evolutiebiologen liever uit de weg gaan omdat hij creationisten in de kaarten speelt: ‘Geen evolutie, zie je wel!’ Het Coelacanth Genome Project van het Broad Institute (MIT en Harvard) bevestigde ook dat hun genen in het algemeen trager evolueren dan die van andere gewervelden. Het helpt verklaren waarom ze hun uiterlijke kenmerken honderden miljoenen jaren min of meer behielden. Coelacanten leven in grotten vijfhonderd meter onder het zeeoppervlak en ook dieper in zee: misschien ondervonden ze weinig selectiedruk omdat die omgevingen weinig veranderden. Maar één traag evoluerende zwaluw maakt de lente nog niet voor evolutie-ontkenners. De bewijzen voor veranderingen onder druk van natuurlijke en seksuele selectie zijn niet te overzien. Er is nooit géén evolutie. En dat geldt ook voor andere levende fossielen, zoals de degenkrab, de nautilus, de ginkgo en brachiopoden. Ze zijn als Brugse huizen: de gevel en het bouwplan veranderen misschien nauwelijks, maar de binnenkant heeft zich in die vele miljoenen jaren ongetwijfeld aangepast aan veranderende omstandigheden.

Het Instituut voor Natuurwetenschappen reconstrueert de omzwervingen van het lapje grond België: vanaf de zuidpool tot waar we nu liggen. Een serie over de unieke geologie van ons land in vijf longreads, vijf podcastafleveringen en vijf posters.

Dit tweede artikel staat in het maartnummer 2026 van Eos. De drie volgende artikels verschijnen in het mei-, zomer- en oktobernummer.
Je vindt alles op
www.naturalsciences.be/r/planeetbelgie

Met steun van het Wernaersfonds van Fonds de la Recherche Scientifique (FNRS).

Een welgemeende dank aan onder meer:

  • Geoloog Kris Piessens (Instituut voor Natuurwetenschappen) voor de inspiratie en begeleiding
  • Geologen Jacques Verniers en Stephen Louwye (UGent) en bioloog Koen Martens (Instituut voor Natuurwetenschappen) voor het nalezen
  • Sound designer Joris Van Damme en muzikant Bart Couvreur voor de podcast
  • Illustratrice Vinciane Decamps (Vinch Atelier) voor de posters
  • Videomaker Stijn Pardon (Instituut voor Natuurwetenschappen) voor de trailer
  • Kwinten Deschepper voor de vormgeving van deze longread
  • Mathilde Antuna voor de foto's in Strud